Categoriearchief: Achtergronden

De miljoenendans van IHC

Op 28 december 1977 laat dr. M.W. van Oosterom, lid van de raad van Bestuur van het scheepsbouw- bagger- en offshore-concern IHC-Holland bezorgde taal horen tegenover de verzamelde centrale ondernemingsraad.

Een definitief jaarplan voor 1978 is nog niet afgerond. Maar vastgesteld kan worden dat wij zullen worden geconfronteerd met grote verliezen bij een aantal Nederlandse productiebedrijven en mede als gevolg daarvan ernstige financieringstekorten in de betreffende werkmaatschappijen. Wanneer geen maatregelen genomen zouden worden, zal de liquiditeitspositie (ruwweg de hoeveel beschikbaar contant geld, red.) nu in Nederland zo’n vijftig miljoen gulden, wellicht vóór het einde van 1978 geheel zijn uitgeput.

En Van Oosterom onderstreept de ernst van de situatie met de volgende volzin. “Gezien de huidige omstandigheden is aanvullende financiering van banken niet verkrijgbaar.”

Stormbal

Dat is duidelijke taal. De stormbal wordt gehesen. IHC-Holland, ooit de “golden boy” van de Amsterdamse beurs, die meewarig lachte toen aan het eind van de zestiger jaren de super-scheepbouwers als Cees Verolme, Wilton en NDSM het loodje dreigden te leggen, zit nu zelf duidelijk in de puree. Niet alleen trouwens. De hele Nederlandse scheepsbouw gaat immers door een diep dal.

Minister Van Aardenne hakte begin deze week de knoop door. Er zal een kleine miljard gulden in de scheepsbouw worden gepompt, maar dan zal er gesaneerd moeten worden. In Amsterdam moet de NDSM-werf dicht. In Schiedam zal de ogenschijnlijk verouderde werf van IHC-Gusto de poort moeten sluiten. De belangrijke baggerdivisie van IHC-Holland zal in een nieuwe onderneming worden ingebracht, waarin de Nederlandse staat voor 48 procent gaan deelnemen. Maar waar gaat dat staatsgeld naar toe?

Wat is de bedoeling van deze mammoet-injectie? Het antwoord is natuurlijk het behoud van de werkgelegenheid in Nederland. In de praktijk komt het erop neer dat de Nederlandse staat met de minst florerende ondernemingen blijft zitten, terwijl vaak lucratieve bezigheden al lang en breed in het buitenland zijn ondergebracht.
Zo is het in ieder geval bij IHC-Holland. Waaraan nog kan worden toegevoegd dat dit concern als gevolg van enkele koeien van managementblunders honderden miljoenen guldens in het water heeft gesmeten. Een zaak die een aantal leden van de Raad van Bestuur terecht de kop heeft gekost, maar waarvan de Nederlandse staat en de werknemers nu de wrange vruchten mogen plukken. Terug naar de Centrale Ondernemings Raad van 28 december 1977 in Rotterdam. “Hé”, vraagt één van de gekozen leden, “ik zie hier onder liquide middelen per eind 1977 nu een prognose van 147 miljoen gulden staan. Hoe zit dat?” Hij krijgt bereidwillig antwoord. De voorraad contant geld is gegroeid als gevolg van winsten die in binnenlandse en buitenlandse werkmaatschappijen zijn gerealiseerd. Voor het binnenland bedraagt dat 50 miljoen gulden. Voor het buitenland is dat een 95 miljoen gulden. Dat buitenlandse geld is ondergebracht, zoals al sinds 1971 bij IHC gebruikelijk is, bij IHC Inc. De aanwezigen zwijgen verder, maar ter verduidelijking kan nog worden toegevoegd dat IHC Inc SA gevestigd is in de Rue St. Pierre 30 te Fri-bourg in Zwitserland.

Hoe was het ook alweer? De voor Nederland beschikbare 50 miljoen gulden zou, wanneer geen maatregelen genomen worden, wellicht niet voldoende zijn om 1978 nog uit te zingen. In Zwitserland staat een kleine honderd miljoen gulden op de bank. Een natuurlijke zaak, zo wordt geredeneerd. Dat bedrag spruit immers voort uit winsten die toevallig bij buitenlandse maatschappijen zijn gevallen. We moeten ons dus verdiepen in hoe dit in zijn werk gaat.

Hiervoor moeten we — voor één voorbeeld — een stuk terug in de tijd. Eind 1959 wordt er op de Schiedamse werf Gusto een superboei ontwikkeld voor de olie-industrie, waarmee tankers buitengaats gemakkelijk kunnen laden en lossen. Een soort reuze-dobber met kranen en slangen, die de Britse naam Single Buoy Mooring System meekrijgt. Deze „SBM’s” zijn een ware goudmijn. Nadat de eerste in 1960 aan Shell in Maleisië is verkocht, zijn er tot op heden zeker honderd van verkocht.

Tot en met 1968 verkoopt IHC-Holland al 18 van deze apparaten over de gehele wereld. Eerst in 1969 blijkt deze goudmijn, zoals mensen die er vaak aan gewerkt hebben hem omschrijven, ondergebracht te zijn in de nieuwe Single Buoy Moorings Inc. in Fribourg in Zwitserland. Later is de financiële constructie nog meer verfijnd. Dan wordt de Zwitserse vestiging van de „reuze-dobbers” verheven tot hoofdkantoor, terwijl in Monaco (Rue Grimaldi 57) het technische kantoor wordt gevestigd.

Het begint een oud verhaal te worden. In Nederland wordt met vakkennis, technisch inzicht, ambachtelijke vaardigheid van de werknemer, en gevoel voor de markt een nieuw product ontwikkeld, dat — wanneer er grote winsten op binnenkomen — administratief direct naar het buitenland wordt overgebracht. De wurggreep van de Nederlandse fiscus, nietwaar! Maar ingewijden uit de management-sector in de branche stellen dat zo’n fiscale constructie voor een kleine serie producten al gauw het wantrouwen doet toenemen. Wat willen ze er mee? Is er wel verhaal op te halen, vraagt men zich dan al snel af, temeer daar de overgrote meerderheid van activiteiten gewoon in Nederland wordt uitgevoerd.

We zijn op dit moment beland bij de eerste wankele schreden op het internationale pad van IHC-Holland. Terwijl de Zuid-Hollandse klei nog aan de klompen kleeft begint IHC een beetje „multinational” te spelen.

Want wie en wat is IHC-Holland precies? Het bedrijf wortelt in de kleinere scheepswerven van het Zuid-Hollandse platteland. In de familiebedrijven De Klop in Sliedrecht, J & K Smit en L. Smit & Zn in Kinderdijk, de werf Gusto in Schiedam en —wat buiten beeld — Verschure & Co in Amsterdam. Werven met hun eigen specialisaties en eigen vaste klanten. De één bouwt baggermolens, de ander sleepboten of tinbaggermolens voor Indië. In de Tweede Wereldoorlog wordt al tot een vorm van samenwerking besloten omdat men weet dat Billiton direct na het staken van de vijandelijkheden een fors aantal tinbaggermolens voor Indië zal bestellen. Tot 1965 blijft het een wat los-vast verband onder de naam Industriële Handels Combinatie. Eerst dan ontstaat de IHC-Holland, nadat de verschillende familiegroeperingen hard hebben gevochten voor de eigen belangen.

Dat weerspiegelt zich in de eerste Raad van Bestuur: President mr. H. J. A. M. Smulders (Gusto-Schiedam, waarvan voor 7 miljoen gulden aandelen waren ingewisseld) en leden D. H. L. Smit (Kinderdijk — nu president) en P. J. M. Verschure (de Amsterdamse tak). De aandelen IHC-Holland (eerst nominaal fl. 100.- later nominaal fl. 10.-) worden genoteerd aan de Amsterdamse effectenbeurs.

Het feest kan nu beginnen, want IHC-Holland ontwikkelt zich in die beginperiode tot een uitgelezen fonds. De activiteiten op offshore gebied van vooral de Gusto-tak worden hoog aangeslagen. In binnen- en buitenlandse financiële bladen verschijnen lovende artikelen. De beurskoers stijgt, vooral wanneer Schotse en Engelse beleggers een goed heenkomen zoeken voor hun kelderende ponden. In 1971 worden de aandelen IHC-Holland in Brussel geïntroduceerd, de beurs van Parijs volgt snel. Kortom, een succes-story zonder weerga. Gebaseerd op het degelijke vakmanschap van de Nederlandse werfarbeiders en ingenieurs. In een steeds maar groeiende markt.

IHC begint zijn vleugels uit te slaan. In het jaarverslag verschijnen namen als Houston in Texas, Zug in Zwitserland en een IHC-Australië.

Dan komen in 1971 de Bahama’s binnen beeld. Daar wordt gevestigd IHC-Holland Le Tourneau Fabricators Ltd Nassau. In de Verenigde Staten komt de IHC-Holland Le Tourneau Marine Corporation, die voor de markt op het westelijk halfrond booreilanden wil gaan bouwen. Wat technici en verder een 900 goedkope, meest Mexicaanse arbeiders. Het wordt een gigantische flop, die het concern bruto meer dan een honderd miljoen gulden zal gaan kosten.

Pas begin 1973 lekt dit nieuws uit en begint de beurskoers danig te kelderen. Waarschijnlijk is daarom de „volgende grote deal” en wel met de bekende ir. P. S. Heerema niet doorgegaan. IHC boekt in deze tijd de ene gigantische opdracht na de andere, maar bij nadere beschouwing blijkt dat IHC zelf steeds financieel belang heeft bij de opdrachtgevers. Een kleine kruidenier, die even een snor aanplakt om te laten zien dat er toch nog klandizie in zijn noodlijdende winkel is. Dat is nu ook de bedoeling met Heerema.

Wantrouwig

Eind november 1972 geeft IHC een persbericht uit, waaruit blijkt dat de Viking Marine Equipment Ltd., gevestigd op het Britse Kanaaleiland (en belastingparadijs) Guernsey bij IHC-Gusto in Schiedam een pijpenlegger van — eerst 170 miljoen gulden, en later 240 miljoen gulden — heeft besteld. IHC zelf neemt voor maar liefst een kleine 30 procent in Viking deel. Andere grootaandeelhouders zijn ir. P. S. Heerema en Britse en Franse beleggersgroepen.
In december 1972 wordt het verhaal nog mooier. IHC Holland zal een belang van 45 procent verwerven in de Heerema-groep buiten Venezuela. IHC zal Heerema betalen met 43.400 aandelen IHC, die op dat ogenblik een beurswaarde van 43 miljoen gulden hebben. Heerema op zijn beurt krijgt dan een belang van ruim 20 procent in de IHC-groep.

Is Heerema dan echter wantrouwig geworden, of had hij al van de geruchten over het Amerikaanse debacle gehoord? In mei 1973 ziet hij plotseling van de transactie af. Hij geeft „fiscale redenen” op.
Dat klinkt alleszins aannemelijk, ware het niet dat Heerema zelf precies een maand tevoren zijn woning in Wassenaar had verwisseld voor een riante villa in het Belgische Kapellen. Een beslissing, waarbij de Nederlandse fiscale druk ook wel een woordje zal hebben meegesproken.

Maar deze voorgenomen transactie weerspiegelt volgens ingewijden de grote fout van IHC-Holland. Je kan niet je eigen klant zijn. Op het moment dat je aan beide kanten van de opdracht geld probeert te verdienen verlies je het vertrouwen van je opdrachtgevers en op langere termijn de opdrachten. De pijpenlegger voor Viking levert dan in 1975 ook nog een verlies op van 15 miljoen gulden, waarvan de Nederlandse fiscus uiteindelijk een 7.8 miljoen voor zijn rekening neemt. Net zo goed als uiteindelijk de Nederlandse fiscus het verlies van de kleine honderd miljoen in de Verenigde Staten voor zijn rekening neemt. Als gevolg van vooral die „fiscaal compensabele verliezen” betaalt IHC-Holland in Nederland maar weinig belasting.

Al met al een weinig vrolijk beeld. De regering wil nu 200 miljoen pompen in een bedrijf, dat door slecht management honderden miljoenen verlies heeft geleden in het verleden. Dat grote verliezen in het buitenland in Nederland van de belasting kon aftrekken. Dat er wel voor zorgt, dat de grote winsten in het buitenland (die men kan maken door de Nederlandse vakkennis en werknemersprecisie) wel in het buitenland blijven.

De cirkel is rond. De Nederlandse bedrijven van IHC worden — al dan niet opzettelijk —armlastig gemaakt, waardoor de staat om wille van de werkgelegenheid moet ingrijpen. Maar ook ten koste van veel geld van de belastingbetaler. De secretaris van de ondernemingsraad: „Zoiets is gewoon te gek. De mensen moeten zich niet vergissen. Het hele IHC-concern is een keihard gezond bedrijf. En de orderportefeuille is niet beroerd, verre van dat”.

De scheepsbouw verkeert in een crisis, dat is zeker. Maar voordat die crisis er was, wat deed het zichzelf altijd zo huizenhoog prijzende Nederlandse management toen? Onder het antwoord op die vraag zullen nu honderden werknemers en de Nederlandse belastingbetaler moeten lijden.

bron:  Het vrije volk  25-03-1978
auteurs: Geert-Jan Laan en Arjen Robijns


Stichting Erfgoed Werf Gusto

De Werf Gusto breidt zich uit


 Een Schiedams bedrijf met een
veelzijdige produktie 

Dit is de grootste uitbreiding, waaraan we sinds de afgelopen oorlog begonnen zijn, zo vertelde ons de heer F. Smulders, adjunct-directeur van de Werf Gusto, Firma A.F. Smulders. We hadden hem verzocht ons nader te willen inlichten naar aanleiding van het bericht, dat we dezer dagen konden brengen, n.l. dat Gusto ging uitbreiden, met het doel aanzienlijk grotere schepen te bouwen dan tot dusver het geval was. De heer Smulders had ons bereidwillig een onderhoud toegestaan, ofschoon hij, als met de leiding der betreffende werkzaamheden belast, uiteraard een overdrukke werkkring heeft.

Dit is een maquette van het gedeelte ven het terrein op de Werf Gusto waar de hellingen verlengd worden.

Inderdaad, Gusto gaat aanzienlijk grotere schepen bouwen. Voorlopig is het streven naar een tonnenmaat van 32.000 ton. Maar de huidige uitbreiding houdt de mogelijkheid in, om eventueel schepen van honderduizend ton op stapel te zetten. Na de thans reeds in volle gang zijnde uitbreiding kan een andere volgen, aangezien er voldoende ruimte voor het verlengen van de nieuwe helling is.

De spil, waarom alles draait, is het verlengen van de bestaande helling, waarop ook nu reeds twee schepen tegelijk kunnen worden gebouwd. Trouwens, Gusto beschikt over een zestal heilingen. Maar waar vandaan het personeel te halen, om zes schepen tegelijk te bouwen?

Wat het personeel betreft, er werkt thans op de werf en in de machinefabriek een goede 1800 man. Ongeveer de helft daarvan woont in Schiedam. In de Gorzen, aldus de heer Smulders, hebben we heel wat oude getrouwen. Neen, capaciteit zou er voldoende zijn, ruimte is er óók, maar het personeelsprobleem werkt remmend. Indien we morgen bekend zouden maken, dat we een aantal orders voor tankschepen kunnen accepteren, staan de opdrachtgevers in een ommezien voor de deur, dat kan ik u wel verzekeren, aldus de heer Smulders. Dit valt voor het overige te begrijpen. De wereld roept, ja schreeuwt om tankers voor het vervoer van de zozeer begeerde olie.

TERREIN AAN DE VOORHAVEN
Wat de ruimte betreft, het terrein van de voormalige kaarsenfabriek langs de Voorhaven is in het bezit van de werf gekomen. Vooralsnog zal het niet behoeven te worden ingeschakeld, aangezien men op de tegenwoordige werf nog wel enige armslag heeft. Voor het verlengen van de huidige hellingen zijn de spantenoven en een hoge schoorsteen afgebroken. Er wordt spoedig een aanvang gemaakt met de opbouw voor de hellingen. In deze opbouw komen verblijven voor het personeel, o.a. waslokaal. Men hoopt een en ander tegen het midden van dit jaar gereed te hebben. Langs de rivier komen nieuwe, betonnen steigers, die van flinke kranen voorzien worden. 

Elke vijf, zes maanden gaat de werf een schip afleveren. Natuurlijk wordt ook voortgegaan met de fabricage van kranen etc, en met de bouw van zandzuigers en ander baggermateriaal, waarin de Gusto gespecialiseerd is. Onze mooie ‘Louis Perrier’ ligt momenteel op de bodem van het Suezkanaal. Ook ander door ons gebouwd materiaal, waaronder een grote sleepboot, werd door de Egyptenaren als versperring gebruikt. We zijn inmiddels reeds bezig aan de bouw van een andere, grote zandzuiger, een zusterschip van de ‘Louis Perrier’. Deze zal in het midden van deze zomer eventueel opgeleverd kunnen worden, zo deelde de heer Smulders ons nog mede.

VLEUGELBOTEN
Het bleek, dat de Werf Gusto nog andere plannen dan uitbreiding van de bouwcapaciteit heeft. Ze wist het licentierecht voor Nederland te verwerven voor de bouw van z.,g. vleugelboten, kleine snelle schepen, zoals die o.a. op het Vierwoudstedenmeer en in de Straat van Messina voor het vervoer van kleine vrachten en van passagiers gebruikt worden. Deze boten kunnen, uitgerust met een motor van ongeveer 1300 p.k., een snelheid van 75 kilometer per uur ontwikkelen en bezitten een actieradius van 700 kilometer. Bij een snelheid van ongeveer veertig kilometer verheffen ze zich boven het water, als ‘n soort mechanische vliegende vissen. Er is er tot dusver pas één in Nederland gebouwd.

De Werf Gusto gaat naar een Zwitsers ontwerp bouwen, voornamelijk voor de export. Schiedam’s naam zal aldus ook op dit gebied van de scheepsbouw in het buitenland een nog grotere naam verwerven.

Het bedrijf van de Werf Gusto, dat uitsluitend nieuwbouw maakt en niet repareert, werd in juli 1905 hier ter stede gevestigd, nadat het terrein eerst vier meter moest worden opgehoogd. Voorheen was het te Utrecht en Slikkerveer gevestigd. Het Utrechtse bedrijf was voortgekomen uit een bescheiden onderneming, te ‘s-Hertogenbosch in 1862 door wijlen de heer A. F. Smulders gesticht. Het was een machinefabriek, die kleine stoommachines vervaardigde en stoom- en andere machines repareerde. Toen men machines voor baggermolens ging maken doemde de wenselijkheid op, over een scheepswerf te beschikken.

Produkten van de Werf Gusto gingen reeds lang vóór de afgelopen oorlog naar alle delen van de wereld, vooral de baggermolens tot naar China toe. Oók naar Zuid Amerika (Chili, Brazilië etc.). Kolenelevators en kolenverlaadbruggen, mijnenleggers, tankschepen, vrachtschepen van meer dan 7.000 ton, ze werden door de Werf Gusto gebouwd, als even zovele bewijzen voor de veelzijdigheid van dit bloeiende Schiedamse bedrijf waarvan de naam in rederskringen een goede klank heeft. 


bron: Nieuwe Schiedamsche Courant | 1957 | 16 | pagina 2
foto’s: Nieuwe Schiedamsche Courant

Stichting Erfgoed Werf Gusto (2017)

Aan, Zijne Excellentie den ……………..


Door 32 ijzerfabrikanten in ons land in het volgende adres aan den minister van koloniën aangeboden ;

Aan, Zijne Excellentie den Minister van Koloniën.

Excellentie, Geven met verschuldigden eerbied te kennen de ondergeteekenden, alle Nederlandsche fabrikanten. Dat zij, inzage genomen hebbende van Uwer Excellenties antwoord, op aan Haar gerichte adressen, strekkende tot verzoek ons om wijziging der voorwaarden van aanbesteding van 48 bruggen ten dienste der Staatsspoorwegen op Java, in welk antwoord wordt gezegd, dat de Regeering in het volle bewustzijn verkeert, dat er verschillende industriëele inrichtingen in Nederland bestaan, volkomen in staat, dit werk binnen den gestelden tijd in een perceel uit te voeren, — zich verplicht achten , tegen dit antwoord, als in strijd met de belangen der Nederlandsche Nijverheid op te komen. Dat, zooals in die adressen bereids is gezegd, onder ondergeteekenden slechts zeer enkelen gevonden worden, in staat dit werk in één perceel binnen den bij bestek bepaalden tijd uit te voeren, en dat, zoo al de grootste etablissementen in ons vaderland daartoe in staat zijn, ook hun bestuurderen tegen de meening opkomen, als zoude de geheele tak van nijverheid door deze wijze van besteding gebaat worden, daar het toch nimmer de bedoeling der Regeering kan zijn de andere industrieel inrichtingen in ons vaderland van dit werk feitelijk uit te sluiten, zooals door deze wijze van besteding wordt gedaan. Dat zij zich ten slotte bescheidenlijk veroorloven, Uwe Exc in het algemeen belang onzer nijverheid in overweging te geven op de inhoud van het antwoord bovenbedoeld terug te komen, houdende alle ondergeteekenden zich overtuigd, dat het bewustzijn der Regeering niet in deze op deugdelijke gronden rust, en dat integendeel bij eene besteding in meerdere perceelen Nederlands nijveren met meer kans op slagen naar dit werk zullen kunnen mededingen. Zich voor eene gunstige beschikking op dit verzoek aanbevelend, hebben zij de eer te zijn

,,Van Uw Excellentie 
,,De zeer gehoorzame Dienaren:
,,Directie Maatschappij de Atlas: W. A. E. Beijerinck , Amsterdam; Kon. Fabriek van Stoom- en andere Werktuigen: J. W. V. d. Made, idem; H. Dalhuisen, Kampen; L. J. Enthoven & Co., den Haag ; Maatsch. IJzergieterij de Prins van Oranje: J. H. Huygens, Idem; Ned. Stoomboot-Maatschappij: D. L. Wolfson, directeur, Feijenoord; Kon. Eed. Grofsmederij: Van Bleiswijk Ris, dir., Leiden; D. A. Schretlen & Co., idem; J. Zimmer & Zonen, Amsterdam; Penn & Bauduin, Dordrecht; Diepenveen . Leis & Smit, Kinderdijk; Kon. Maatscappij Schede: Jos. Van Raalte, dir., Vlissingen ; Maatsch. de Zwolsche Fabriek van Stoom-en andere Werktuigen, Zwolle ; G. H. Broekman & Zoon, Amsterdam; Gebroeders Schutte, idem; Evrard Van Duyl & De Krnyff, Delfs-haven ; J. L. Nering Bögel & Co., Deventer ; Utrechtsche Ijzergieterij; A. F. Smulders, Utrecht ; Engelman & Van Stirum, Kampen; G.J. Wispelwey & Co., Zwolle; Schaepman & Helurch, id; Gebroeders Figee, Haarlem ; W. H. Jacobs, id., De Jong & Comp., Oudewater, Cosijn en Comp., Gouda; Huygens en V. Gelder, Amsterdam; Hk. Jonker Zn., id., Van Dorsser en Ter Horst, Dordrecht; H E. Koopman, id.; C. Gips Zonen, id., H. Burgerhout Zn., Rotterdam; H. en J. Suuveer, Amsterdam.”

Vermoedelijk zal dit adres wel geen verandering brengen in ‘s ministers onbegrijpelijke plannen, waarbij alleen het buitenland wordt gebaat, want heden is de dag der aanbesteding.

bron: de Maasbode 8-1-1880
Een spoorbrug over de Tjiherang tussen Malangbong en Tjipeundeuj.
Preanger, West-Java
foto:collectie.tropenmuseum.nl


Stichting Erfgoed Werf Gusto