IHC Holland Le Tourneau

Leestijd: 2 minuten

Een Rampzalige Investering.
De ontwerpen van Guus Smulders voor hefplatforms werden door Amerikaanse oliemaatschappijen gezien als dure oplossingen, vergeleken met de driehoekige driepotige platforms die aanvankelijk werden ontwikkeld door de LeTourneau Company in 1953. In de jaren zestig was het concept van LeTourneau algemeen aanvaard door de Amerikaanse offshore-industrie, dus toen de IHC offshore-divisie in maart 1971 de kans kreeg een joint-venture op te richten in samenwerking met Dick LeTourneau, een neef van de oprichter die het driepotige platform had ontwikkeld en die net het gelijknamige familiebedrijf had verlaten, leek het een waardevolle aanvulling op de portefeuille van IHC. Het resultaat was de oprichting van IHC Holland-LeTourneau Marine Corporation, waarbij 75 procent van de aandelen in handen was van IHC, en de rest van Dick en de opening van een fabricagewerf in Kilgore (Texas). Het doel was het ontwerpen en bouwen van een goedkope driepotige booreiland, met een continu hefsysteem gebaseerd op het tandheugelontwerp van de oude LeTourneau Company.

Voordat het nieuwe bedrijf zijn eerste bod uitbracht voor een contract voor de bouw van een booreiland voor de in Texas gevestigde Penrod Drilling Company, vroeg IHC aan de engineeringafdeling van Gusto de prijsberekening te willen controleren. Werf Gusto concludeerde dat de prijs volledig ontoereikend was en in feite zou moeten worden verdubbeld. Het hoofd van de offshore-divisie van IHC (Piet Verschure) accepteerde de conclusies van Gusto niet en ging door met het bod in de overtuiging dat de begroting in lijn was met het lokale niveau van de bouwkosten. Omdat de nieuwe onderneming financieel ondergekapitaliseerd was, vroeg Penrod Drilling IHC om een onvoorwaardelijke bankgarantie te verstrekken ter ondersteuning van de contractuele verplichtingen van haar dochteronderneming. Halverwege 1972 werden nog twee orders binnengehaald, één van het Braziliaanse bedrijf Petrobras en één  van het Deense bedrijf A.P. Møller. Helaas was de eerste bestelling nog lang niet voltooid, dus werden de nieuwe bestellingen geaccepteerd zonder dat er lessen waren getrokken uit het bouwen van de eerste boorinstallatie. Beide bedrijven vroegen en hebben ook onvoorwaardelijke bankgaranties gekregen voor een opeisbare prestatie.

Booreiland ‘Petrobras III’ kort voor de oplevering bij de werf IHC Marine Corporation te Ingleside Texas in december 1974.
Foto: Digitale Collectie St. Erfgoed Werf Gusto – Fotograaf: Helmut Hirsch.

In 1972 begon er een crisis te ontstaan. Niet alleen waren de contractprijzen voor de drie platforms volkomen ontoereikend, maar de investeringskosten voor de bouw van de faciliteiten in Texas waren ook jammerlijk onderschat. Tegen het einde van 1973 hadden de gebeurtenissen het punt bereikt waarop IHC besloot de verliezen te beperken en het productie te beëindigen. Penrod Drilling stemde ermee in zijn bestelling te annuleren in ruil voor financiële compensatie, waardoor de levering van het eerste booreiland in aanbouw in Texas aan Petrobras mogelijk werd. Na voltooiing van dit boorplatform sloot IHC de werf in Texas en droeg het contract van A.P. Møller over aan Gusto in Schiedam voor levering medio 1975. Dit debacle bracht IHC aan de rand van een grote liquiditeitscrisis. De groep boekte een verlies van 100 miljoen Nederlandse Guldens en zag , niet geheel verrassend, een scherpe waardedaling op de aandelenmarkt.


Bron: SBM Offshore ‘Technology Creating Value’  2008
Auteurs: D. Keller, P. van Berkel, R. Smulders
Vertaling: St. Erfgoed Werf Gusto

Laatst bijgewerkt op: 23 maart 2024

Scheepsbouwmuseum