Bnr. 642: Sheerlegs Mastbok 60 t. (1930)

In de Golf van Biskaye – het heet daar niet voor niets: ’t zeemansgraf — hebben de bemanning van de Rotterdamsche zeesleeper “Utrecht” en niet minder zeker twee runners aan boord van ’n kraan, die door de „Utrecht” gesleept werd, in de laatste dagen van Januari angstige uren meegemaakt. Zóó zelfs, dat kapitein L. A. Hemmes, die toch al 26 jaar op zeesleepers vaart en al heel wat avonturen heeft doorgemaakt, o.a. ook toen hij nog onder de bekende kapiteins van zeesleepers, Verschoor en Person, voer, moest bekennen dat het dezen keer wel het gevaarlijkste was, wat hij in zijn loopbaan heeft beleefd. De “Utrecht” van Bureau Weismuller, was op 18 Januari uit Schiedam vertrokken met een nieuwe kraan gebouwd bij de werf Gusto, die bestemd was voor Conakry aan de N.W.kust van Afrika.

Aan boord van de kraan bevonden zich twee runners. Aanvankelijk ging de reis voorspoedig; het weer was voor den tijd van ’t jaar, niet slecht. Maar op 24 Januari werd het weer slecht. Dagen achtereen bleef het stormen. De golven, zoo vertelde kapitein Hemmes ’n verslaggever van ’t Rotterdamsch Dagblad, stonden huizenhoog. Zoo ging het eenige dagen achtereen voort, tot we op den 31-sten Januari vliegend stormweer hadden gekregen. We waren toen ongeveer een 40 mijl uit de kust, midden in den hevigen orkaan, waardoor toen heel wat schepen onder de Spaansche kust in nood hebben verkeerd. In den nacht van 31 Januari op 1 Februari brak de tros waaraan we de kraan sleepten. Een veertien duims manillatros was het, waaraan we de kraan een tweehonderd vaam achter ons voortsleepten en als een touwtje brak die tros door.
— Dat waren penibele oogenblikken, vervolgde de kapitein, de twee runners waren nog aan boord en de kraan dreef op de hooge golven, voortgestuwd door den orkaan, naar de kust. We waren toen in de buurt van de Spaansche kust bezuiden kaap Finistère. Overal rotsen en klippen onder het wateroppervlak en een uiterst gevaarlijke, grillige rotskust, soms afgewisseld door ’n klein strandje. We konden voorloopig niets anders doen dan de kraan volgen. Want in den stikdonkeren nacht kon bij dit weer niets gewaagd worden om de twee menschen er af te halen. Eerlijk gezegd gaf ik toen geen cent meer voor hun leven!

Maar gelukkig was de kraan ’s morgens, toen het licht begon te worden, nog niet gestrand. Met zeer veel moeite zijn we er toen zo dicht mogelijk heen gevaren en hebben de menschen gered. Dicht langs de kraan varende werden de mannen de lijnen toegeworpen. Zij bonden die om hun middel en stortten zich in de kokende golvenmassa. Zoo werden de twee runners binnen boord getrokken, waar zij verkleumd en uitgeput, na al die angstige uren, aankwamen. Toen de runners in veiligheid waren, zoo vertelde de kapitein verder zijn we met de “Utrecht” nog zoo lang mogelijk in de nabijheid van de kraan gebleven. Maar door de hooge dooréénloopende golven was het uitgesloten om onze sleep weer op te pikken. Een paar uur na de redding, zagen we de kraan op de rotsen stooten en vastloopen. We zijn toen nog geruimen tijd in de nabijheid gebleven, maar het was onmogelijk iets te doen. op die gevaarlijke kust. We mochten, aldus besloot de kapitein zijn verhaal, waarlijk wel blij zijn, dat we tenminste die twee runners hebben kunnen redden. Dat was nog maar op het nippertje. De “Utrecht” is daarna naar Rotterdam teruggekeerd, waar het schip einde vorige week aankwam.

bron: Leeuwarder nieuwsblad, 20 februari 1930
foto: Gemeentearchief Schiedam / fotograaf: Onbekend


Stichting Erfgoed Werf Gusto 2018