Molens

Leestijd: 4 minuten

Bij een beschrijving van de branderijen mogen zeker de Schiedamse molens niet overgeslagen worden. Omstreeks 1850 was Schiedam omgeven door een krans van geweldige stenen bovenkruiers, machtige reuzen, die torenhoog uitstaken boven het nog kleine, negentiende-eeuwse stadje. De molens vormden de roem van Schiedam, en zelfs nu nog kan de bezoeker een indruk krijgen hoe imposant de aanblik van al die molens eens geweest moet zijn. Helaas niet meer dan een indruk, want van de zeventien windmolens, die er omstreeks 1860 in de stad stonden, zijn er nog maar vier, of liever: drie plus één zonder kap en wieken, over. Omdat drie van de genoemde molens dicht bijeen staan aan de Noordvest en de Vellevest, is het mogelijk zich een beeld te vormen van de toestand omstreeks het midden van de vorige eeuw. Toen hoorde je overal langs de vesten het geluid van de draaiende wieken. De bloeiperiode van de windmolens was omstreeks 1850 bijna voorbij. De meeste van de veertien brandersmolens en vier bakkersmolens (17 windmolens en een watermolen, getijmolen) waren gebouwd tussen 1711 en 1727 aan de Westzijde van de stad.  Negen molens werden gebouwd in de jaren 1778 tot en met 1797 aan de Noordvest, toen aan de Oostzijde van Schiedam.

Centraal stoomkorenmolen ‘De Draak’, met de stalling voor paarden en wagens. Op de bovenverdieping het kantoor van de Firma M. Kranen die de stoomkorenmolen in bezit had. In 1908 is deze firma omgezet in N.V. Gistfabriek ‘De Atlas’.
Beeldbank Schiedam / beeldnummer 35392.

De opleving in de moutwijnindustrie liet ook zijn sporen na bij de molens. De bakkersmolen ‘Washington’ werd vanaf de tweede helft van de 19e eeuw ingezet als brandersmolen. Uitbreiding van het aantal windmolens stond niet op het programma, wel de introductie van de stoommolen. De eerste stoommolen (‘Rijsthalm’) werd gebouwd aan de Buitenhaven in het aangrenzende Oud-Mathenesse. Het was meteen een groot succes, omdat in de eerste twee jaren na gereedkomen van de stoommolen er weinig wind was. De eerste stoommolen (‘De Draak’) op Schiedams grondgebied dateert van 1854, maar was alleen bestemd voor gebruik door de branderij van J.A.J. Nolet. In 1857 werden ‘De Dubbele Arend’ en ‘De Cycloop’ (Naamlooze Vennootschap, Directeur J. H. Ris) opgericht.  De tijd van alleen windmolens was voorbij. Toen de windmolen ‘De Gapert’ in 1864 afbrandde, werd deze vervangen door een stoommolen met dezelfde naam.

Molenkaart van Schiedam getekend door O. Nolet de Brauwere, met als ondergrond een plattegrond van Rutger van Bol’es uit 1770.
Beeldbank Schiedam / beeldnummer 37703.

Vanaf 1870 verdwenen met enige regelmaat windmolens uit het straatbeeld. Ook windmolen ‘De West’ (later vervangen door een stoommolen met dezelfde naam) en ‘De Kameel’ (Herbouwd in 2010) behoorden tot de eerste slachtoffers van de modernisering. Daardoor daalde het aantal naar elf. Na 1870 zouden nog 5 windmolens het loodje leggen en twee andere grotendeels werden ontmanteld. Ook de molen ‘De Noord’  (1400) verloor kap en wieken (Herbouwd in 1962).

Papieren reproductie in ds. 149 THA (II/4/1/10), uitgegeven door Stichting De Schiedamse Molens.
Beeldbank schiedam / beeldnummer 01099. (bewerkt).

Vrij veel mensen vonden werk in de molens. De KvK  schatte in 1870  dat het gemiddelde rond 6 arbeiders lag per molen. Dat zou neerkomen op rond de 130 arbeiders in de in 1870 nog in gebruik zijnde 11 windmolens. Die molens produceerden in dat jaar naar schatting 38- tot 40.000 ton meel. In dat jaar werden door de 4 stoommolens, waarvan 1 maar de helft van het jaar in bedrijf was, bijna 30.000 ton meel afgeleverd. In deze 4 stoommolens waren 80 man aan het werk. In totaal dus, inclusief de windmolens, waren er rond de 200 man werkzaam in de molens. In 1880 waren er 5 stoommolens: ‘De Draak’‘De Dubbele Arend’, ‘De Cycloop’, ‘De West en een stoommolen, die bijna uitsluitend voor de stoombranderij (1878) van T.C. Melchers werkte. Deze stoombranderij was op dat moment de enige die Schiedam rijk was.

De totale opbrengst van de Schiedamse maalbedrijven in de periode 1878 bedroeg ongeveer 90.000 ton per jaar. Daarvan werd een derde nog maar geleverd door de windmolens. In 1870 bedroeg het aandeel van de windmolens nog rond de 50%. Dat was een forse achtergang in 8 jaar tijd. Het aantal stoommolens bedroeg rond 1900 acht molens, waarvan alleen ‘De Draak’ nog over was en lange tijd na 1900 gebruikt werd als pakhuis. Het is nu een Gemeentelijk monument.

Bestaande en verdwenen molens op de kaart:
1. De Kameel (1715)
2. De Palmboom (1781)
3. De Noord (1803)
4. De Vrijheid (1785)
5. De Star (1716-1823)
6. Drie Koornbloemen (1770)
7. Watermolen (1596-1789)
8. De West (1580-1869)
9. De Walvisch (1794)
10. De Brandersmolen (1711-1872)
11. De Gaper (1634-1864)
12. De Hoop (1727-1907)
13. De Zuid (1717-1846)
14. Wijk den Toorn (1723-1912)
15. De Ploeg (1782-1902)
16. De Vlijt (1788-1880)
17. Polder Nieuw-Mathenesse (1611-1923)
18. De Meyboom (1779 – 1926)
19. De Batavier (1797 – 1907)
20. De Eendragt (1778 – 1907)
21. De Washington of Wilhelmina (1791 – 1903)
22. De Oost (1727 – 1962)
23. De Witte (1792 – 1895)

Verdwenen molens (niet op de kaart)
De Wip- of Beukmolen (1709 – 1733)
Polder West Frankenland (1884-?)
Suytwintcorenmolen (1383-?)
Zuidmolen (Kethel)
Noordmolen Kethel (1576-1872)
Oost-Abstpolder (Kethel) (1611-1873)

De Steene Moole (1661-?)
De Loodwit- of Papiermolen (voor 1594 – 1855)
De Oude Volmolen (1596 – 1964)
De ClopMolen (voor 1598 – uiterlijk 1649)
De Kopermolen (1781 – onbekend)
De Nieuwe Volmolen (1634 – 1730)
De Oud-Burgemeester Knappert (1862 – 1965)
De Morgenzon (1780 – 1810)
De Oud-Mathenessermolen (1789 – 1910)
De Schravenmolen of ’s Gravenlandsche molen (onbekend – 1898/1899)
De Westabtsmolen (onbekend – )
De Hargmolen (onbekend – )
De Korenmolen van A. Bregman (1897 – )
De Nieuwlandsche molen (1888 – 1944)
De Kleine Babbersmolen (voor 1611 – voor 1712)

Laatst bijgewerkt op: 6 januari 2024