‘Victor Gerosa’? ‘Zegt me niets’.

Op 14 juli 2022 werd de Stichting Erfgoed Werf Gusto op de hoogte gesteld van een door de heer Jac. J. Baart aangeboden artikel aan een kwartaalblad voor publicatie met de titel: ‘Kraan met besmet verleden naar Schiedam.’ Het artikel is gebaseerd op een oud krantenartikel (Digitale krant Waterweg Actueel) uit februari 2020. Deze tekst werd in 2020 al eens toegestuurd aan de K. Heeringa Stichting te Schiedam, als aanvulling op zijn in het Historisch Jaarboek Schiedam 2019 geplaatste artikel (Zakelijk bekeken – De boten van de Gusto) over bepaalde aspecten van Werf Gusto in de Tweede Wereldoorlog.

De strekking van het artikel in de digitale krant (Waterweg Actueel) van februari 2020 was dat de Stichting Erfgoed Werf Gusto pogingen ondernam om een oude drijvende kraan met het bouwnummer 787* uit 1941 na de door de eigenaar (de Admiraliteitswerf in Sint-Petersburg) toen nog niet ingeplande oplegging terug te halen naar Schiedam. Vanaf maart 2020 kregen we te maken met Coronamaatregelen, zoals intelligente lockdown en reisbeperkingen. De e-mails die we aan de Russische scheepswerf toestuurden bleven onbeantwoord. Onze tussenpersoon* ter plaatse bleek niet in staat dit stilzwijgen te doorbreken. De toenemende spanning tussen Nederland en Rusland over de nasleep van de uit de lucht geschoten Boeing 777 met vluchtnummer MH 17 deed de Stichting Erfgoed Werf Gusto inzien dat de kansen miniem waren. De Stichting Erfgoed Werf Gusto besloot er niet meer actief aan te werken en haalde de website, die specifiek over die kraan ging offline. We schrijven dan begin 2021.
*Naam bekend bij de redactie, maar om reden van toegezegde privacy niet genoemd.
De 787 is zeer waarschijnlijk ontwikkeld door G.V.J. Gerosa, de NSDAP’er in dienst van Werf Gusto sinds 1925, vanaf 1928 als Hoofdingenieur en vanaf 1942 ook in dienst van de Duitse bezetter als Aussenstellenleiter. Dit laatste wekte niet Baart’s gramschap op om in de pen te klimmen, want Gerosa kende hij niet heeft hij ons laten weten in een e-mail, zoals verderop zal blijken, maar het ging om het jaartal 1941!

Waarom dan toch dit geplande artikel van Jac. J. Baart? *
De Stichting Erfgoed Werf Gusto verhaalt gewoontegetrouw over de bouwprestaties van Werf Gusto en haar medewerkers door de jaren heen en probeert veel van de voormalige Schiedamse Werf te achterhalen en zo te bewaren voor het nageslacht. Daar is de Stichting Erfgoed Werf Gusto per slot van rekening voor in het leven geroepen en heeft ze zo kunnen werken en bijdragen aan de totstandkoming van het ‘Monument Werf Gusto’ bij de Koninginnebrug in Schiedam. Baart daarentegen kijkt bij het schrijven van zijn boeken en artikelen vooral naar ‘zwarte randjes’ van Werf Gusto (Dat heeft hij verheven tot zijn levenswerk schijnt het) en heeft met al dat ‘positivo’ gedoe duidelijk moeite. Je mag van mening verschillen.

Maar om dan vervolgens op zo’n krampachtige manier je gelijk proberen te halen door in een en hetzelfde artikel de Nazi-kaart te spelen (i.v.m. het bouwjaar 1941 van de kraan voor een Duitse scheepswerf) en de oorlog tussen Rusland (de huidige eigenaar van de kraan) en Oekraïne aan te halen, zijn argumenten die kant noch wal raken. Het is moeilijk vol te houden dat een drijvende kraan ‘fout’ is. De oorlog in Oekraïne staat in geen enkele verhouding tot het verleden van de drijvende kraan. Op het moment dat de Stichting Erfgoed Werf Gusto het idee opvatte ermee te beginnen in 2019 en het moment dat we ermee stopten in 2020 was daar in het geheel nog geen sprake van. Baart gebruikt nog maar weer eens een one-liner ter afsluiting van zijn artikel: “De Gusto-kraan is opnieuw in handen van een gewelddadige en meedogenloze dictatuur”. Alsof Rusland ooit een democratie is geweest!
*Baart heeft op geen enkele manier – niet in 2020 en niet in 2022 – contact opgenomen met de Stichting Erfgoed Werf Gusto om zich op de hoogte te laten stellen over de gang van zaken over de voortgang van onze inspanningen de kraan naar Nederland te halen. Ook blijkt uit zijn bronvermelding dat een bezoek aan de website van Werf Gusto (werf-gusto.com) niet heeft plaatsgevonden. Een bezoek aan onze website had verhelderend gewerkt

Wat voorafging, of hoe wij de heer Baart zo hebben kunnen irriteren
In 2019 startte de Stichting Erfgoed Werf Gusto een eigen onderzoek naar de heer G.V.J. Gerosa. Zijn naam dook op in een artikel dat we raadpleegden over ‘The 250 Ton Crane’ die besteld was door het Engelse Manchester Ship Canal Ltd. Deze speciale kraan werd opgeleverd in 1937. In dat artikel (‘De Ingenieur’ uitgave 25 februari 1938 vanaf bladzijde 17) kwam zijn naam naar voren als de ingenieur van Gustozijde, die het gehele project tekende en begeleidde. De naam Gerosa was de Stichting  nog nooit eerder tegengekomen bij historisch onderzoek met het in ons bezit zijnde materiaal uit het Werf Gusto archief.

Naslag bij het Gemeentearchief Schiedam leverde alleen een treffer op bij het doorzoeken van de “Adresboeken van de Gemeente Schiedam”: “G.V.J. Gerosa Tuinlaan 98”. Een heel bekend pand bij de na-oorlogse generatie Schiedammers, omdat daarin na 1945 een fotograaf annex fotografie-winkel** in gehuisvest was.  
**Op de na-oorlogse bewoners van dat pand komen we later nog uitgebreider terug.

Eigen onderzoek van de Stichting Erfgoed Werf Gusto.
Op 1 augustus 1925 trad de heer G.V.J. Gerosa (20-01-1888 in Parijs) in dienst van Werf Gusto. Gerosa was van geboorte Italiaan, maar liet zich in 1916 naturaliseren tot Duitser. Hij werd aangenomen als adjunct-chef de Bureau van het Technisch Bureau van Werf Gusto. Na gebleken geschiktheid zou hij de Hoofdingenieur opvolgen. Dat was de heer Vuyk die dat was bekend, in 1928 met pensioen zou gaan. Het gaf Gerosa de tijd om zich in drie jaar tijd te bewijzen als scheepsbouwkundig ingenieur, zodat hij zijn toekomstige zware functie als Hoofdingenieur aankon.

Gerosa solliciteerde n.a.v. een advertentie uit de Rotterdamsche Courant van 18 juni 1924. Op dat moment werkte hij nog als scheepsbouwkundig ingenieur bij J. en A. van der Schuyt’s Scheepswerf en Machinefabriek in Papendrecht. (1919–1924) Gerosa studeerde af in 1909 aan de Koninklijke Technische Hogeschool in Berlijn als Scheepsbouwkundig ingenieur. In zijn laatste studiejaar heeft hij enige maanden stage gelopen bij de scheepswerf “Blohm & Voss” in Hamburg. Na zijn studie aanvaardde hij een functie bij de scheepswerf “Howaldtswerke” in Kiel. (1912-1919)

Het gesprek tussen Gerosa en Frans Smulders, die hem had uitgenodigd, moet goed zijn verlopen. In juli van dat jaar werd een contract opgesteld en werd Gerosa per 1 augustus 1925 voor de duur van drie jaar aangesteld. Gerosa hield zich voornamelijk bezig met de verdere ontwikkeling van Drijvende Kranen, Bokken en de latere Tinbaggermolens “Kantoeng” en “Soengai Liat” (de opvolger van de “Kantoeng”). Hij onderhield daarbij voor de twee laatstgenoemde nauw contact met het Ministerie van Koloniën, de uiteindelijke opdrachtgever van de tinbaggermolens. Voor de Tinbaggermolen “Soengai Liat” is Gerosa zelfs langere tijd (1938) uitgezonden door Werf Gusto naar Soerabaja. Na het verlies van de “Kantoeng” op weg naar Indonesië werd besloten zijn opvolger daar te bouwen. Gerosa is altijd Duitser gebleven en voelde zich begin dertiger jaren sterk aangetrokken tot zijn ‘thuisland’ door de economische resultaten. Lang voor het uitbreken van de Tweede Werelsoorlog (1934) besloot hij lid te worden van de NSDAP.

Vanaf september 1942 werkte Gerosa met 9 andere collega’s in Nederland in de functie van Aussenstellenleiter ook voor het Reichsministerium für Rüstung und Kriegsproduction. Fritz Todt (van de Organisation Todt) was daarvoor tot aan zijn dood in 1942 verantwoordelijk en vervolgens zijn opvolger Albert Speer. De hoogste in rang voor Nederland was Richard Fiebig. De laatste had de Aussenstellenleiters ook geselecteerd voor deze functie. Het was een ‘erefunctie’. Dat betekende dat het een onbetaalde functie betrof, die men naast zijn dagelijkse werkzaamheden diende uit te oefenen. In eerste instantie was de opzet van de Rüstung und Kriegsproduction om bedrijven in bezet gebied die meewerkten aan de Duitse oorlogsindustrie, maar niet beschikten over de juiste machinerieën, die machinerieën dan vanuit Duitsland aan te leveren.

Doel van de “Rüstung und Kriegsproduction”
‘Rationalisierung’ van de Nederlandse industrie. In een gloedvol betoog hield Fiebig zijn geselecteerde Aussenstellenleiters voor dat ze ermee zouden worden belast Nederlandse bedrijven pasklaar te maken, zodat die ook in de toekomst Duitse orders konden ontvangen en uitvoeren. De bedoeling was kleinere bedrijven samen te voegen of te sluiten om zo de totale productie te waarborgen of zelfs te verhogen. Om het gestelde doel te bereiken kwamen er commissies die onder hun leiding bedrijven tegen het licht zouden houden om te zien wat voor machines er aanwezig waren en welke werkzaamheden die bedrijven precies verrichtten.’ Deze commissies waren de Prüfungskommissionen für die Rationalisierung. Daarin zaten behalve een van Fiebig’s Aussenstellenleiter een vertegenwoordiger van de Hauptabteilung Soziale Verwaltung en een vertegenwoordiger van het betrokken Rijksbureau. De rationalisering van de metaalsector verliep moeizaam. Slechts een gering aantal bedrijven werd gesloten. Een rigoureuze aanpak werd onmogelijk gemaakt door de verwevenheid van veel bedrijven. Vaak bleek een onbelangrijk bedrijf toeleverancier te zijn van een onmisbare oorlogsproducent, zoals de bouwer van onderzeeboten.

Joggli Meihuizen over G.V.J. Gerosa
In het boek ‘Noodzakelijk Kwaad’ van Joggli Meihuizen uitgegeven door Boom in 2003, komt de naam Gerosa voor en wordt ingegaan op zijn handel en wandel tijdens de Tweede Wereldoorlog op pagina 634:
“In februari 1949 had Boon als verdedigster van de Duitser G.V.J. Gerosa, voormalig Leiter der Aussenstelle in Zuid-Holland (met als zetel Rotterdam) en als zodanig ondergeschikte van Fiebig, er al op gewezen dat 84,5 procent van de Nederlandse industrie vol enthousiasme voor de Duitsers had gewerkt en per maand voor 100 miljoen gulden had gecollaboreerd. Gerosa werd beschuldigd van het oorlogsmisdrijf ‘plundering’, zoals strafbaar gesteld bij art. 272. BBS, hierin bestaande dat hij in zijn district verantwoordelijk was geweest voor de wegvoering uit Nederland naar Duitsland van een groot deel van het industrieel machinepark gedurende de laatste fase van de bezetting. Boon wilde aantonen dat juist die bedrijven waren ontmanteld, die de hele oorlog door voor de Duitsers hadden gewerkt, hieraan flink hadden verdiend en hiervoor materieel van de bezetter hadden ontvangen. Gerosa die als enige van de tien Aussenstelleleiters’ terechtstond, werd door het Haagse bijzondere hof op 10 maart 1949 veroordeeld tot 3,5 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest sedert 12 mei 1945, hetgeen betekende dat hij onmiddellijk na zijn veroordeling in vrijheid werd gesteld”.

Ook in het in maart 2018 uitgegeven boek ‘Richard Fiebig’ van Joggli Meihuizen eveneens uitgegeven door Boom in 2018 wordt uitgebreid ingegaan op de Leiter van de Aussenstelle in Zuid Holland (pagina 82).
“Van de Ausenstellenleiter was Georg Victor Joseph (roepnaam Victor) Gerosa het meest spraakmakend. Hij vertegenwoordigde Fiebig in Zuid-Holland (uitgezonderd Den Haag) en had als standplaats Rotterdam, Nederlands belangrijkste industriestad. Gerosa was geboren in Parijs op 20 januari 1888 uit een Duitse moeder en een Italiaanse vader. Bij zijn geboorte kreeg hij de Italiaanse nationaliteit, maar in 1916 liet hij zich tot Duitser naturaliseren. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werkte hij als scheepsbouwkundig ingenieur in Kiel en gold daar als `Kriegshetzer’. Hij was lid van de Alldeutscher Verband, een vergaarbak van extreemrechtse militaristische, expansionistische nationalisten die aanstuurden op annexatie van onder andere België en Nederland. Na afloop van de oorlog verhuisde hij met zijn jonge gezin naar Nederland om te gaan werken eerst als bedrijfsingenieur bij een rederij in Papendrecht en vanaf 1925 als hoofdingenieur bij de scheepswerf Gusto in Schiedam. Van die plaats werd hij een gerespecteerd ingezetene — hij woonde er in dezelfde straat (de Tuinlaan) als zijn baas, werfdirecteur Henri Smulders. Gerosa maakte bij Gusto furore als ontwerper van bijvoorbeeld de Kantoeng, destijds ‘s werelds grootste tinbaggermolen. Victor Gerosa was sinds 1934 lid van de NSDAP. Voor zijn waardevolle werk als propagandist voor het nationaalsocialisme kreeg hij in 1941 het Kriegsverdienstkreuz tweede klasse. Tijdens de Duitse bezetting haalden zijn toespraken als Rotterdams Kreisschulungsleiter (vormingsleider) herhaaldelijk de krant. Uitsluitend voor het wegvoeren van goederen naar Duitsland aan het einde van de bezetting heeft Gerosa na de oorlog moeten boeten”.

Toen in 1944 duidelijk werd dat de Duitsers steeds verder werden teruggedrongen pasten ze de tactiek van de verschroeide aarde toe. Vanaf september werden zo veel mogelijk machines en installaties ontmanteld en op transport gezet naar Duitsland. Vanaf september 1944 werkte Gerosa vanuit zijn eigen kantoor aan de Veerhaven 4 in het Rotterdamse Scheepvaartkwartier. Deze plunderingen werden door het ‘Bijzondere Hooggerechtshof’ te Den Haag beschouwd als een oorlogsmisdaad. In 1945 werd Gerosa in Schiedam door de politie gearresteerd en vastgezet in Kamp Vught. Zijn bezittingen werden in beslag genomen en ondergebracht in een beheermaatschappij van de overheid (Het Nederlandse Beheerinstituut te Den Haag).

Hij werd als enige van de vier gearresteerde Aussenstellenleiters (Gerosa, Krühl en Piel in 1945 en Schulte in 1946) veroordeeld wegens economische collaboratie. De andere zijn in 1945 naar Duitsland gegaan en ontkwamen zo aan rechtsvervolging. Omdat hij de enige was die veroordeeld werd was de rechter in zijn vonnis mild. Saillant detail was dat Albert Speer in Neurenberg en Richard Fiebig door het Bijzonder Gerechtshof in Rotterdam voor dit vergrijp niet zijn veroordeeld. Gerosa werd veroordeeld op 10 maart 1949. Hij kreeg 3,5 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en kwam daardoor meteen op vrije voeten. Hij werd uitgewezen naar Duitsland. Daar vond hij in Hamburg een nieuw onderkomen en overleed daar aan hartfalen in 1954.

Uit de briefwisseling, die na zijn dood werd gevoerd tussen de advocaat van zijn weduwe en Werf Gusto over vermeende pensioenrechten bleek dat Gerosa tot 1 september 1944 op de loonlijst van de werf heeft gestaan. Vanaf 1 september 1944 trad volgens diezelfde brief Gerosa in dienst van de Duitse bezetter en verscheen Gerosa niet meer op zijn werk en scheidden de wegen zich van Gerosa en Werf Gusto.

Gegevensuitwisseling Gerosa met Rotterdamse historicus Jac. J. Baart
In het boek ‘Rotterdam Oorlogshaven’ van Jac J. Baart uitgegeven door Walburg Pers in 2010 komt merkwaardig genoeg in het Register-Persoonsnamen de naam van G.V.J. Gerosa daarentegen in het geheel niet voor. We hebben de heer Jac. J. Baart per e-mail* op 23 maart 2019 op de hoogte gebracht van de functie en de naam van de heer Gerosa en gevraagd of hij aanvullende informatie voor ons had. Temeer daar Gerosa als Aussenstellenleiter kantoor hield aan de Veerkade vanaf 1944 in Rotterdam en deze functie vanaf 1942 (naast zijn baan als Hoofdingenieur van Werf Gusto) uitvoerde in de regio Rotterdam en het Rotterdamse havengebied.

Het antwoord van Jac. J. Baart op 24 maart 2019 per e-mail* was zowel kort als verrassend. Hij liet ons weten dat de naam Victor Gerosa hem niets zei. We publiceren hier een klein deel van de e-mail. In dit antwoord komt hij wel terug op een onderwerp waar we meer informatie over wilden hebben voor de Stichting Erfgoed Werf Gusto aan hem toegezonden per e-mail op 28 juli 2015* over de kraan 787 uit 1941, die in St.-Petersburg gespot was.

Victor Gerosa, zegt me niets. Ik heb uit de VS nog heel veel documenten gekregen over de Rüstungsinspektion die met dat soort zaken – afvoer e.d. – bezig was. Tot in detail mag ik wel zeggen, maar er wordt maar zelden een naam genoemd. Dat is bij de Kriegsmarine ook zo.

Via de Zweedse marine heb ik zo’n 50 Gb aan archiefstukken binnengehaald over de Kriegsmarine – konvooien, mijnen e.d. Ik zag toevallig die Gusto-kraan voor Gotenhafen staan. Bestemd voor hijswerkzaamheden t.b.v. slagschepen.”

* E-mails opvraagbaar bij de auteur van dit artikel.

Waarom op dit moment dit artikel van de heer Jac. J. Baart?
De Stichting Erfgoed Werf Gusto heeft bij de aankondiging van het uitkomen van het Historisch Jaarboek 2019 Schiedam via de Schiedamse media kritiek geuit op de samenstellers Laurens Priester (Stadsarchivaris van de stad Schiedam) en Hans van der Sloot (Historicus) van de Heeringa Stichting. De Heeringa Stichting heeft het boek uitgegeven. In deze 2019 editie wordt o.a. aandacht besteed aan de rol van Werf Gusto in de Tweede Wereldoorlog. De kritiek van de Stichting Erfgoed Werf Gusto betrof voornamelijk het ontbreken van toetsing aan de hedendaagse opvattingen en inzichten van geschiedschrijvers over de rol van de ‘Metaal’ (w.o. Werf Gusto ressorteerde) in de Tweede Wereldoorlog. Ook over de na de oorlog gevoerde rechtszaken over vermeende economische collaboratie. Zo kort na de Tweede Wereldoorlog maakt het het de historicus mogelijk daar met de kennis van vandaag genuanceerder over te schrijven dan in 1949. Deze rechtszaken werden gevoerd door de Rotterdamse kamer van het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag.

In zijn “Woord Vooraf” van het in 2018 door Boom gepubliceerde woordelijk verslag van het tegen R. Fiebig, de baas van G.V.J. Gerosa, gevoerde proces in mei/juni 1949 in het Paleis van Justitie in Rotterdam merkt de heer J. Meihuizen daar het volgende over op:
“De publicatie van dit procesverslag is van evident belang voor de (rechts)historische wetenschap. Zij is illustratief voor de wijze waarop zo kort na de Tweede Wereldoorlog processen werden gevoerd tegen Duitse oorlogsmisdadigers en zogenaamde politieke delinquenten — met te veel emotie (uitmondend in partijdigheid) en vooral te weinig kennis van zaken. Een vooraanstaand lid van het toenmalige Openbaar Ministerie stelde niet voor niets dat de Bijzondere Rechtspleging anders zou zijn verlopen, indien justitie destijds de beschikking had gehad over het complete werk van dr. L. de Jong.”

Ook Dr. L. de Jong gaf in Deel 4 Eerste helft bladzijde 212 1972 van “Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog” een genuanceerder beeld van ‘Werken voor de Vijand’. Hij schreef:

“In tegenstelling tot generaal Winkelman heeft het college van secretarissen-generaal, met uitzondering van Ringeling, vrij gemakkelijk en zonder veel weerstand te bieden de samenwerking met de bezetter aanvaard; de meeste voormannen van het bedrijfsleven die wij in dit hoofdstuk noemden, deden hetzelfde. Het zijn twee belangrijke conclusies. Wil men er iets langer bij stilstaan, dan dient men, dunkt ons, in de eerste plaats op het feit te letten dat Nederlands economische positie bij het voortduren van de oorlog belangrijk zwakker zou worden dan ze tevoren was. Zulks hing met de gehele structuur van de Nederlandse volkshuishouding samen welke ontwikkeling in de negentiende en twintigste eeuw wij in ‘Voorspel’ beknopt schetsten. Van de belangrijkste industriële grondstoffen produceerde Nederland in 1940 alleen steenkool in voldoende hoeveelheden. Desondanks was een industrie ontstaan waarin, volgens de in ’30 gehouden volks- en beroepstelling, bijna 39% van de werkende bevolking haar brood verdiende. Die industrie was van vitale betekenis geworden voor de plaatsing van het bevolkingsaccres – en die groei was naar verhouding snel geweest: ruim vijf miljoen Nederlanders in 1900, bijna negen miljoen in 1940. De helft van die bevolkingsaanwas was in de jaren 1900-1930 in de nijverheid opgenomen.’ Voor de toevoer van nagenoeg al haar grond- en hulpstoffen was die nijverheid van het buitenland afhankelijk; zij was eveneens afhankelijk van dat buitenland voor een groot deel van haar afzet: de binnenlandse markt was te klein om al haar producten op te nemen.”

Onze kritiek betrof ook de publicatie ‘Zakelijk bekeken – De boten van Gusto’ van de heer Jac. J. Baart in het Historisch Jaarboek Schiedam 2019. In dit artikel stelt hij als het ware de familie Smulders persoonlijk aansprakelijk voor de verliezen aan geallieerde zijde die waren te betreuren als gevolge van de inzet van door Gusto gebouwde Schnellboote voor de Kriegsmarine in de Middellandse Zee. Baart wond zoch ook op over de uitbreiding van Werf Gusto tijdens de Tweede Wereldoorlog. (Het handelde hier om het in huur nemen (1942) van de oude werf van Werf Gusto in Slikkerveer, die bij opening van de nieuwe werf in Schiedam in 1905 werd afgestoten en pas in 1917 werd verkocht.)

Graag verwijzen wij in deze naar het boek van Hein A.M. Klemann ‘Nederland 1938-1948 Economie en samenleving in jaren van oorlog en bezetting’, uitgegeven door Boom in 2002, waarin hij over uitbreiding van de Nederlandse industrie in 1940-1945 o.a. op pagina 285/286 het volgende publiceert:

“Een sector waarin veel investeringen plaatsvonden, was de metaal, waar de bezetter de ontwikkeling goeddeels bepaalde. De eerste berichten over uitbreidingen in verband met de vraag kwamen echter uit de meubelindustrie, een gevolg van de noodzaak de oorlogsschade te herstellen. Ook moest al in 1940 een confectiefabriek uitbreiden om aan de vraag naar jassen van de Wehrmacht te voldoen. De Amsterdamse Scheepswerf en Machinefabriek Verschure en Co. breidde eveneens al in 1940 uit, maar investeringen in de metaal kwamen vooral in 1941 en ’42 tot stand. De uitbreiding van de Rotterdamsche Droogdokmaatschappij en de bouw van een montagehal voor vliegtuigmotoren door de Schelde in Vlissingen vielen in deze categorie, evenals de scheepswerf die in Bolnes werd gebouwd. ‘In de scheepsbouw zijn den laatsten tijd veel orders geplaatst en de groote werven zijn thans vol bezet,’ zo luidde de motivatie voor deze investering. Ook de uitbreiding van de Zaanlandsche Scheepsbouwmaatschappij met enige kranen werd door deze overwegingen ingegeven, evenals de in 1941 in Rotterdam gebouwde machinefabriek en de nieuwe metaalgieterij die in Hoogezand werd neergezet”.

De woorden, Smulders, Conijn en Gusto komen in zijn lijvige studie van 696 pagina’s niet voor.

Samenvatting en Conclusie
Uit het bovenvermelde is af te leiden, dat er sinds 2003 veel informatie over G.V.J. Gerosa beschikbaar was. Eigenlijk al vanaf 1949, want de dagbladen publiceerden veel over het proefproces dat werd aangespannen tegen G.V.J. Gerosa.  De rol van de door Werf Gusto in 1925 aangestelde G.V.J. Gerosa als werknemer van Werf Gusto tijdens de periode 1940-1944 is moeilijk te achterhalen. Of Gerosa mogelijk een rol heeft gespeeld bij het allereerste bezoek van Konteradmiraal Hintzmann* op 18 mei 1940 aan Werf Gusto is ook niet bekend. Het dossier van hem aanwezig bij het Nederlandse Beheerinstituut te Den Haag richt zich voornamelijk op de financiële afwikkeling van zijn privébezit en de toenmalige woning aan de Tuinlaan 98** in Schiedam. Gerosa trad tijdens de periode 1940-1944 weinig op de voorgrond. Hij gaf enkele toespraken op bijeenkomsten in Nederland en behalve het feit dat hij in de ochtend van 10 mei 1940 gespot werd in de Tuinlaan in Schiedam in zijn NSDAP-uniform, weten we weinig tot niets over zijn relatie met de directie van Werf Gusto en de Duitse bezetter tot maart 1942. Vanaf maart 1942 tot het eind van de Tweede Wereldoorlog werkte hij als Aussenstellenleiter voor de Duitsers in de regio Rotterdam. Hij heeft deze nevenfunctie van maart 1942 tot september 1944 uitgevoerd naast zijn baan als Hoofdingenieur voor Werf Gusto. Vanaf september 1944 ging hij fulltime aan de slag als Aussenstellenleiter voor de Duitsers en verscheen hij niet meer bij Werf Gusto, die hem daarop afvoerde als werknemer. Hij hield vanaf september 1944 kantoor aan de Veerhaven 4 in Rotterdam.
*Lees onze publicatie over Werf Gusto tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Ook tijdens de na-oorlogse processen gevoerd in 1949 tegen de directie van Werf Gusto wegens vermeende economische collaboratie, werd op geen enkel moment tijdens de verhoren gerept over de rol binnen het bedrijf van deze vooraanstaande Duitser (NSDAP’er), die van augustus 1925 tot september 1944 in hun dienst was.

De rol van Gerosa bij Werf Gusto en de uitvoering van zijn taak als Hoofdingenieur en daarnaast Aussenstellenleiter, de omgang met de directie en zijn collega’s zou eens nader uitgezocht moeten worden door historici, zoals de heer Jac. J. Baart (hoe krijg je anders het boek ‘Rotterdam Oorlogshaven’ bij een herdruk compleet?) en de heer Hans van der Sloot. Het lijkt de Stichting Erfgoed Werf Gusto een mooie uitdagende opdracht voor de beide historici. Temeer daar ze gemakkelijker toegang hebben tot allerhande archieven en zij kunnen terugvallen op de volle medewerking van het Gemeentearchief Schiedam. Het kan zelfs een ander licht werpen op de overeenkomst die N.W. Conijn op 23 mei tekende met de Kriegsmarine Werft Wilhelmshaven. Dit komt ons voor als een betere tijdsbesteding en gebruik van fondsen dan kritiek leveren op een ongesubsidieerde Stichting van vrijwilligers. Dit alleen maar omdat de Stichting Erfgoed Werf Gusto vergeefse pogingen heeft ondernomen om een drijvende kraan (Bouwnummer 787-1941/1942, de laatste in zijn soort) na oplegging terug te halen naar Schiedam.

Volgens Baart was de kraan ‘besmet’. Als we uitgaan van het dienstverband van G.V.J. Gerosa bij Werf Gusto van 1925 tot 1944 en vanaf 1928 als Hoofdingenieur van de afdeling Teekenkamer, zou dat betekenen dat alles wat Werf Gusto in die periode heeft gebouwd ‘besmet’ is? Wat te denken van de al eerdergenoemde kraan met het Bouwnummer 716? We hebben vorig jaar over het wel en wee van deze 85-jarige kraan uitvoerig verslag gedaan via onze website en de onlinekrant Schiedam24.nl. Deze kraan voor de Manchester Ship Canal Ltd. gebouwd in 1937 werd versleept in 2021 van Liverpool naar Newcastle om eventueel te dienen als museum. De kraan is ontwikkeld door G.V.J. Gerosa. Na een grondige inspectie in 2022 in Newcastle bleek de kraan niet te redden en is helaas alsnog gesloopt. De Engelsen waren op de hoogte (via de Stichting Erfgoed Werf Gusto) van de ontwikkelaar, maar hadden daar kenbaar geen moeite mee. Een kraan is een kraan moeten ze gedacht hebben.

Zoals Baart redeneert is bijna alles wat Werf Gusto gebouwd heeft ‘besmet’. Werf Gusto heeft in 1911 (Het jaar dat Italië met veel bombarie het nietige Libië binnenviel) twee drijvende kranen van 150 ton afgeleverd aan de Italiaanse marine. Dat waren de bouwnummers 410 en 422 voor de marinehavens Spezia en Taranto. Deze kranen werden, eveneens de 787 in 1942, gebruikt voor het plaatsen van geschutskoepels op de nieuwe marineschepen. Besmet?

Stichting Erfgoed Werf Gusto
Exloo 31 juli 2022

** Bij de verbouwing van het pand aan de Tuinlaan 98 dat na 1945 aangekocht was om het geschikt te maken voor bewoning en het bedrijfsklaar te maken voor een fotozaak vond de familie in een oude kast een fotoalbum met privé-opnames dat nog toebehoorde aan de familie Gerosa.

In 2019 vonden kinderen van de kopers van het pand eind 40’er jaren het tijd om het fotoalbum aan de nabestaanden van Gerosa te overhandigen. Nabestaanden van beide families werden in maart 2019 uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn, evenals enkele leden van de Historische Vereniging Schiedam, waaronder Lidwien Meyer en de Stichting Erfgoed Werf Gusto als representant van zijn vroegere werkgever. De aanwezigen waren zich bewust dat de bijeenkomst voor enkelen van de aanwezigen emotioneel was. Aan het eind van de bijeenkomst werd het fotoalbum officieel overhandigd aan de nazaten van Victor Gerosa.

Geraadpleegde Bronnen:
‘Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’: Dr. L. de Jong Deel 4 Eerste helft 1972
‘Nederland 1938-1948 Economie en Samenleving in jaren van oorlog en bezetting’: Hein A.M. Klemann
‘Het Proces Fiebig’: Joggli Meihuizen Boom 2018
‘Richard Fiebig’: Joggle Meihuizen Boom 2018
‘Noodzakelijk Kwaad’-De bestraffing van economische collaboratie in Nederland na de Tweede Wereldoorlog Boom 2003

 

Laatst bijgewerkt op: 9 augustus 2022