Een “laatste hap” met uitstel


“Onvoorziene omstandigheden voorbehouden kan op dinsdag 28 februari (1967!) het laatste materiaal worden gestort voor de uitbouw van de pieren van de IJmuidense haven­mond” – zo luidde de aanhef van een uitnodiging van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat aan de Nederlandse pers om de “laatste hap” van de kraaneilanden Lepe/aar en Kraanvogel mee te maken. Nu, de omstandigheden wáren onvoorzien! Een zuidwester storm met windkracht 8 à 9 en uitschieters in windkracht 10 en 11 maakten de kraaneilanden onbereikbaar en het nemen van de “laatste hap” onmo­gelijk. U hebt het waarschijnlijk wel op de televisie gezien, hoe die dag meters hoge golven over de nieuwe pieren sloegen. Roerloos, als buitennissige vogels, met hun acht poten stevig in het opgezweepte water, lieten de kraaneilanden de zoveelste storm om en onder zich heen gaan. “Onwerkbaar weer” noemen de mannen van Wa­terstaat zoiets. De kraaneilanden kunnen er wel tegen, maar de aanvoer van materiaal is niet mogelijk. Vergeet niet, dat de koppen van de nieuwe zuid- en noordpier res­pectievelijk drie – bijna twee-en-een-halve kilometer ver in zee steken!
Verleden voorjaar – de nieuwe zuidpier was toen zo goed als klaar – streken de Kraanvogel en de Lepelaar neer aan de noordkant. In snel tempo – soms wel 50 à 60 meter per week – werd de noord pier verlengd. De taak van de kraaneilanden was veelzijdig: stenen en betonasfalt sorteren, profileren met behulp van de poliep­grijper, uitgieten van asfalt, plaatsen van betonnen elementen, etc.
Zes november – deze datum weten de pierenbouwers nog heel precies! – kwam er een eind aan het vlotte opschieten. Het blééf slecht werkweer tot …… begin januari. 

In deze periode werden de kraaneilanden alleen gebruikt om na een storm de schade aan het nieuwe pierlichaam te herstellen. Weggespoelde stenen werden opgezocht en weer netjes op hun plaats gelegd. “Sommige stenen kwamen ons steeds bekender voor”, grappen de mannen van Waterstaat, die weten dat de strijd met de zee een sport is, waarbij je af en toe verliezen moet incasseren. Sinds begin januari kon anderhalve maand weer “normaal” worden gewerkt. Toen was het weer mis. Alle plannen voor een feestelijke “laatste hap” werden door de wind, die van geen wijken wist, weggevaagd. Eind maart verzuchtten de mannen van Rijkswaterstaat “drie dagen mooi weer en we zijn er”.

Bron+Foto: I.H.C. Het Zeskant april 1967
Fotograaf: Onbekend


Stichting erfgoed Werf Gusto 2019