Categoriearchief: Olieopslagboeien

Co. 938: ‘Brent Spar 1’ (1975)


De ‘Brent Spar 1’ was een olieopslagtank met een 50.000m3 nuttige inhoud. De opdracht voor de bouw werd gegeven door Shell/Esso. Beide bedrijven namen voor 50 % deel in de kosten voor de bouw. Het woord ‘Brent’ verwijst naar het olieveld in het Engelse deel van de Noordzee en ‘Spar’ was de naam van de gigantische stalen boei. De boei werd gemaakt door Wilton Feijenoord (de onderbouw) en IHC Gusto (de bovenbouw).

De opslagtank was voorzien van een draaischijf opdat schepen eenvoudig konden aanhaken en de olie konden overpompen. Bovenop was een helidek aanwezig. De totale hoogte van de tank was rond de 140 meter (hoger dan de Euromast), de doorsnee rond de 30 meter. De tank zou als een dobber in het water komen te staan. Hij zou onder water permanent verbonden worden met een nabijgelegen booreiland (de Brent ‘A’). Via een pijpleiding op de zeebodem werd de olie (ontgast en watervrij) naar de ‘Brent Spar’ gevoerd worden. Het lag in de planning, dat de ‘Spar’ een aantal jaren als opslag zou kunnen dienen en dat vanaf 1989 er een vaste pijpleiding naar de ‘Shetland’ eilanden zou worden aangelegd.

Shell/Esso zouden de Spar in exploitatie nemen in 1976. Men verwachtte rond die tijd 400.000 vaten ruwe olie per dag te kunnen produceren. Shell/Esso hadden 5 miljard gulden in de ontginning van het olieveld in het ‘Brentveld’ geïnvesteerd. Wat de combinatie heeft betaald voor de ‘Brent Spar’ is nooit openbaar gemaakt.

De onderbouw was eerder klaar dan de bovenbouw en bij gunstige weersomstandigheden zou op 29 januari 1975 een begin worden gemaakt met het verslepen van de onderbouw. De onderbouw — eigenlijk een metalen cilinder ter lengte van bijna 100 meter, die een diameter had van 30 meter, werd horizontaal versleept van het bouwdok naar het midden van de ‘Nieuwe-Waterweg’ alwaar de sleepboot ‘Zwarte Zee’ van Smit internationaal zeesleep- en bergingsbedrijf het transport zou overnemen voor de reis naar de ‘Erfjord’, gelegen op circa 30 mijl ten noorden van ‘Stavanger’. Het overbrengen van de ‘Spar’ zou zeven tot negen dagen duren. De bovenbouw van de ‘Spar’, toen nog in aanbouw bij de werf van IHC Gusto in Schiedam, zou later eveneens worden versleept naar Noorwegen waar onder- en bovenbouw zouden worden verenigd.

Bron: De Telegraaf 30-07-1973; NRC Handelsblad 27-07-1973; NRC Handelsblad 28-01-1975;


Stichting Erfgoed Werf Gusto