Categoriearchief: Koninklijke Marine

Kanonneerboten K-Klasse


Bnr. 750: K2 1941

Bnr. 750 K2 1939
de K2 gelicht. (foto: Peter Kimenai)

Op 14 mei 1940 vielen de in aanbouw zijnde kanonneerboten van de K-klasse in Duitse handen. Het veelzijdige ontwerp van de K-klasse kanonneerboten had schepen op moeten leveren die zowel geschikt waren voor konvooibegeleiding, kustbombardementen en verder ingezet konden worden als hulpmijnenveger en hulpmijnenlegger. Volgens ontwerp kregen de schepen een voortstuwingsinstallatie die bestond uit Burmeister & Wain dieselmotoren die onder licentie gebouwd werden bij P. Smit Jr. te Rotterdam. De primaire bewapening bestond uit 4 x 12cm Bofors No. 8 kanonnen in twee dubbelopstellingen. Deze kanonnen vielen ook in Duitse handen zodat zij de schepen hiermee konden uitrusten. De luchtafweerbatterij zou bestaan uit 4 x 40mm en 4 x 12,7 mitrailleurs. Verder voorzag het ontwerp in mijnenveegtuigen tegen contact- en akoestische mijnen en demontabele mijnenlegrails. Het totaalplaatje zou een schip opleveren van 1267 ton, met een maximale snelheid van 19 knopen dat operationeel gehouden kon worden door 99 bemanningsleden. De Duitsers voorzagen hun oorlogsbuit van meer luchtafweer, een groot aantal mijnen en 8 dieptebomwerpers.

De K 2 verrichtte vooral konvooidiensten op de Noordzee waarna het Nederlandse schip in Duitse dienst overging naar het Küstensicherungsverband Norwegische Westküste. De K 2 kreeg eveneens MAN dieselmotoren in 1943. Op 9 oktober 1944 werd de K 2 getroffen door een Britse luchttorpedo bij Egersund, zuid-Noorwegen. Hierbij raakte het achterschip van de kanonneerboot zwaar beschadigd. De Duitse mijnenveger M 1 sleepte de K 2 naar Egersund. Later werd de beschadigde kanonneerboot overgebracht naar de Noorse marinebasis Horten in de Oslofjord. Na de oorlog werd het schip hier teruggevonden en eind 1945 naar Delfzijl gesleept waar het na een ongeluk met de drijfpontons zonk. Op 26 juli 1946 werd het wrak gelicht door W.A. van den Tak`s Bergingsbedrijf en naar Den Helder gesleept voor inspectie. Herstel werd niet lonend geacht en in oktober 1947 werd de zwaar beschadigde kanonneerboot voor sloop verkocht naar Vlaardingen.

  K 1 K 2 K 3
Bouwwerf P. Smit Jr. te Rotterdam Gusto v/h Smulders te Schiedam P. Smit Jr te Rotterdam
Bouwnummer 524 750 525
Op stapel gezet 2 -08-1939 1939 23-06-1939
Tewaterlatingen 23 -11-1940 28-06-1941 22-03-1941
In Duitse dienst 2-10-1941 23-10-1942 2 -02-1942
In Nederlandse dienst 18 -07-1946
Grootste lengte 77,9 meter
Grootste breedte 10,3 meter
Diepgang 3,4 meter
Waterverplaatsing standaard 1.200 ton
Waterverplaatsing volbeladen 1.420 ton
Machine-installatie Burmeister & Wain dieselmotoren
Machinevermogen 2.770 pk
Actieradius 6.900 zeemijlen bij een snelheid van 12 knopen
Bunkercapaciteit 157 ton dieselolie
Maximale snelheid 14,5 knopen
Bemanning 161 tot 184 koppen
Primaire bewapening 4 x 12cm Bofors No. 8 kanonnen
Secundaire bewapening 4 x 3,7cm kanonnen
Luchtafweer 12 x 20mm mitrailleurs
Overige bewapening 80 mijnen, 8 x dieptebommortieren

info: go2war2.nl
foto’s: Peter Kimenai, grote foto K3, de latere Hr. Ms. van Speyck


Stichting Erfgoed Werf Gusto

Dokkum klasse (Bnr. 52, 53, 54 en 55)

Hr. Ms. Staphorst
De Dokkumklasse

De Dokkumklasse was een serie van 18 mijnenvegers die in de jaren vijftig van de 20e eeuw gebouwd zijn voor de Koninklijke Marine. De Wildervankklasse (14 schepen) werd in dezelfde periode gebouwd en was vrijwel identiek.

De bouw

De Dokkumklasse schepen zijn in de jaren 50 gebouwd met steun van de Amerikaanse overheid. De bouw was een onderdeel van het op 2 augustus 1949 ingediende herziene plan Van Holthe. Dit plan voorzag in de aanschaf van in totaal 68 mijnenvegers. Het plan werd gerealiseerd van 1954 tot 1962.

Het ontwerp

Het ontwerp van de Dokkumklasse, die ook wel de WU-klasse wordt genoemd, was gebaseerd op standaard stafeisen opgesteld in West-Europese Unie verband. Door deze stafeisen zijn er in veel landen schepen gebouwd van de WU-klasse, waaronder toenmalig West-Duitsland, Engeland en Frankrijk. Deze schepen vertonen dan ook zeker gelijkenis met de Dokkum- en Wildervankklasse.

De bouwmaterialen

De schepen zijn gebouwd van hout, over aluminium spanten. Dit is gedaan om het schip a-magnetisch te maken. Ook zijn in het schip zo veel mogelijk a-magnetische materialen verwerkt.

Op het aluminium skelet, wat hoofdzakelijk is geklonken, is een dubbele huid aangebracht met een tussenlaag van in Aspro gedrenkt linnen. De buitenhuid is teak, de binnenhuid van mahonie en de dekken zijn van Redwood of teak en het achterdek van Peroba de Campos. De dekhuizen zijn van aluminium met oorspronkelijk een open brug, welke in de zeventiger jaren is vervangen door een dichte brug.

Uit deze klasse werden vier schepen verbouwd tot mijnenjager en drie anderen tot duikvaartuig. Voor de namen van deze schepen is gekozen voor de namen van middelgrote- en kleinere Nederlandse gemeenten.

Bekostiging

De schepen van de Dokkumklasse zijn vrijwel identiek aan die van de Wildervankklasse. Het grootste verschil tussen de Wildervankklasse en de Dokkumklasse is de bekostiging. De schepen van de Dokkumklasse zijn betaald door de Amerikaanse overheid terwijl de schepen van de Wildervankklasse bekostigd zijn door de Nederlandse regering. Deze regeling was onderdeel van het MDAP voor gemeenschappelijke defensie. Ook is er een verschil in de machinekamer; de Dokkumklasse beschikt over MAN motoren, de Wildervankklasse beschikte over Werkspoor motoren. De schepen van de Wildervankklasse zijn eerder uit de vaart genomen vanwege een grotere kans op carter-explosies (zonder aanwijsbare oorzaak).

Levensloop

Het naamschip Dokkum was het eerste schip dat in dienst werd gesteld en wel op 26 juli 1955. Daarna volgden Hr. Ms. Hoogezand (M802) op 7 november 1955, gebouwd door de Gusto te Schiedam, Hr. Ms. Naaldwijk (M 809) op 8 december 1955, gebouwd door de werf De Noord te Alblasserdam en Hr. Ms. Wildervank (M 803) op 28 december 1955, gebouwd door de Amsterdamsche Scheepswerf G. de Vries Lentsch te Amsterdam. De resterende 27 schepen van deze klasse kwamen in 1956 in dienst. In het begin van de jaren zestig werden vijf vaartuigen (3 Dokkum- en 2 Wildervankklasse) verbouwd tot duikvaartuig: een moederschip voor duikers. Later in de jaren zestig werden er nog eens vier schepen van de Dokkumklasse verbouwd tot mijnenjager. Vanaf eind van de jaren zeventig begon men met het uit dienst nemen van de schepen. Eerst alleen schepen van de Wildervankklasse, later ook schepen van de Dokkumklasse. Bij de ingebruikname van de mijnenjagers van de Alkmaarklasse werden de jagers en duikvaartuigen van de Dokkumklasse overbodig. Een aantal mijnenvegers is nog tot in de jaren negentig in gebruik gebleven.

Van de Dokkumklasse zijn 3 schepen in dienst bij het Zeekadetkorps: de ex-M830 Sittard, de ex-M823 Naarden en de ex-M806 Roermond. De ex-M830 Sittard bij zkk Harlingen, de ex-M823 Naarden bij zkk Delfzijl, de ex-M806 Roermond bij zkk Lemmer. De Harlingen en Naarden zijn beide volledig operabel, de Roermond niet. Hr. Ms. Naaldwijk is in gebruik bij Scouting in Haarlem.

Hr .Ms. Hoogeveen aan de kade bij Willemsoord te Den Helder

De Hr. Ms. Hoogeveen heeft vanaf 1956 tot 1996 gevaren voor de Koninklijke Marine. Het schip is gebouwd van de bouwwerf De Noord in Alblasserdam en heeft vooral op de Noordzee dienst gedaan. Na de actieve dienst lag de Hoogeveen in het Natte Dok van de oude Rijkswerf Willemsoord te Den Helder. Leden van het bestuur van de Vrienden van de Koninklijke Marine (VVKM) en enkele medewerkers wilden de Hoogeveen behouden. Het schip was in redelijk origineel staat. In 1999 werd de VVKM in de gelegenheid gesteld het schip voor het symbolische bedrag van één gulden te kopen. Na de overdracht naar de VVKM is het schip gerestaureerd. In 2009 is de Hoogeveen in het dok gegaan en de onderkant schoongemaakt en gerepareerd. Verder zijn diverse ruimtes aan boord aangepakt. Al het veegtuig is nog aanwezig. Het streven is om de Hoogeveen een museale status te geven.

De 18 mijnenvegers waren:

bron: wikipedia.nl; wj-gerrits.com; foto’s gahetna.nl


Stichting Erfgoed Werf Gusto

 

Jan van Amstel Klasse


De Russisch-Japanse oorlog van 1904-1905 was het eerste conflict waarin mijnen een grote rol speelden. Aan beide zijden werden grote verliezen geleden die aan mijnen toegeschreven konden worden. Daarna ging elke belangrijke marine in de wereld over tot het oprichten van een mijnendienst. Voor Nederland gold dit in 1907.

In eerste instantie werden alleen bestaande schepen zoals trawlers en slepers omgebouwd maar vanaf 1910 werden de eerste Nederlandse mijnenleggers op stapel gezet.

Het duurde echter nog tot 1930 voordat de eerste mijnenvegers ontworpen en gebouwd werden op de Rijkswerf Willemsoord in Den Helder. Het betrof de stalen mijnenvegers Hr. Ms. A, Hr. Ms. B, Hr. Ms. C en Hr. Ms. D van 179 ton, bestemd voor de dienst in Nederlands Oost-Indië. Mijnenvegers werden toen nog gewoon van staal gemaakt omdat het begrip magnetische mijn nog niet bekend was. Pas in 1939 zouden de Duitsers dit nieuwe wapen voor het eerst gebruiken,

Nederland was niet bij machte een grote vloot te bouwen met belangrijke kapitale schepen maar was wel afhankelijk van een vrije, bevaarbare zee. Daartoe zou zij, ook als men neutraal kon blijven, moderne mijnenvegers, mijnenleggers en escorteschepen nodig hebben. De oplossing werd gevonden in de door ir. D.J. de Jonge ontworpen stalen mijnenvegers van de Jan van Amstel-klasse. Deze klasse zou bestaan uit acht schepen die alle in 1936 op stapel werden gezet. De schepen waren groot en relatief zwaar bewapend zodat zij ook als mijnenleggers en voor konvooibegeleiding ingezet konden worden. De kanonnen van 7,5cm waren afkomstig van de uit dienst gestelde Nederlandse pantserdekschepen.

De helft van de Jan van Amstel-klasse, VAM-klasse, VAMmen of ABC-klasse, zoals de schepen ook wel genoemd werden, was bestemd voor de Oost en de andere helft voor de Nederlandse wateren. Door hun aantal en door hun herkenbare ontwerp werden de schepen karakteristieke en veelvuldige verschijningen in Nederlandse en Indische havens.

De klasse bestond uit:

  • Hr. Ms. Jan van Amstel (A)*, (gebouwd door Werf Gusto)
  • Hr. Ms. Pieter de Bitter (B)*,
  • Hr. Ms. Abraham Crijnssen (C)*, (gebouwd door Werf Gusto)
  • Hr. Ms. Eland Dubois (D)*,
  • Hr. Ms. Willem van Ewijck (E),
  • Hr. Ms. Pieter Florisz (F),
  • Hr. Ms. Jan van Gelder (G) (gebouwd door Werf Gusto)
  • Hr. Ms. Abraham van der Hulst (H). (gebouwd door Werf Gusto)
    * Bestemd voor Nederlands Oost-Indie

Hr. Ms. Abraham Crijnssen is beroemd geworden omdat zij op zeer spectaculaire wijze ontsnapte aan de Japanners toen die Nederlands Oost-Indië onder de voet liepen in maart 1942. Vermomd als tropisch eiland wist zij aan de vijand te ontkomen en naar Australië uit te wijken. Zij heeft ook als het enige schip van deze klasse het oorlogsgeweld en de slopershamer overleefd en bestaat nu nog steeds als museumschip te Den Helder.

Technische gegevens

Grootste lengte: 55,8 meter
Grootste breedte: 7,8 meter
Diepgang: 2,2 meter
Waterverplaatsing standaard: 460 ton (502 als mijnenlegger)
Waterverplaatsing volbeladen: 620 ton
Machine installatie: 2 triple expansie machines, 2 Yarrow ketels in één ketelruim
Machinevermogen: 2x800pk
Voortstuwing: 2x 3-bladige schroef
Snelheid: 15 knopen
Actieradius: 1600 zeemijl bij 15 knopen, 4700 zeemijl bij 11 knopen
Bunkercapaciteit: 110 ton stookolie
Bemanning: 45 koppen
Bewapening bij oplevering: 1 7,5cm kanon, 2 dubbel mitrailleurs 12,7mm als mijnenlegger capaciteit voor 40 mijnen
Bewapening van 1946 tot 1951: 1 Bofors 40mm en 3 Oerlikon 20mm mitrailleurs
Bewapening als netpoort schip: 2 Oerlikon 20mm mitrailleurs

bron: Go2War2


Stichting Erfgoed Werf Gusto

Douwe Aukes Klasse

Hr. Ms. Douwe Aukes
Hr. Ms. Douwe Aukes

De Douwe Aukes Klasse was een Nederlandse klasse van mijnenleggers die twee schepen omvatte. Beide schepen zijn gebouwd door de Schiedamse scheepswerf Gusto en waren bedoeld om dienst te doen in de Nederlandse wateren. De bouw van de schepen begon in 1919 en was in 1922 afgerond. Beide schepen waren nog in dienst tijdens de Duitse aanval op Nederland in 1940. Beide schepen wisten uit te wijken naar het Verenigd Koninkrijk, de Douwe Aukes op 14 mei en de Van Meerlant op 18 mei 1940. De Van Meerlant ging in 1942 in Britse dienst verloren door een mijnexplosie.

Schepen

  • Hr. Ms. Douwe Aukes (1922-1966)
  • Hr. Ms. Van Meerlant (1922-1942)

Technische kenmerken

Hr. Ms. Van Meerlant
Hr. Ms. Van Meerlant

De schepen van de Douwe Aukesklasse hadden de volgende afmetingen: 55,0 x 8,7 x 3,2 meter. De schepen met een waterverplaatsing van 687 ton werden aangedreven door twee Yarrow stoomketels. Als brandstof voor de stoomketels kon 115 ton steenkool worden meegenomen. De stoomketels zorgde ervoor dat de schepen een maximale snelheid hadden van 13 knopen. Om de schepen in bedrijf te houden was een bemanning nodig van 60 koppen.

Bewapening

De standaardbewapening van de schepen van de Douwe Aukesklasse waren drie 7,5 cm kanonnen, twee 12,7 mm mitrailleurs en één 6,4 mm mitrailleur. Wat vergelijkbaar was met de bewapening van de mijnenlegger Medusa van de Hydraklasse. Daarnaast konden de schepen van de Douwe Aukesklasse 87 zeemijnen meenemen.


Stichting Erfgoed Werf Gusto